| |
Doelgroepen
Lezers die behoefte hebben aan eenvoudige communicatie, zijn in twee hoofdgroepen te verdelen:
- Lezers met een handicap of stoornis.
- Niet-geoefende lezers of lezers met beperkte taalvaardigheden.
Deze twee hoofdgroepen bestaan weer uit verschillende subgroepen.
Groep 1:
- Mensen met een verstandelijke beperking.
- Mensen met dyslexie. Zij hebben een normale intelligentie, maar hebben wel problemen met het coderen van woorden en spelling.
- Mensen met afasie. Afasie is een spraakprobleem veroorzaakt door een beschadiging van één van de spraakcentra in de hersenen. Die beschadiging komt bijvoorbeeld door een hersenbloeding of een hersentumor. Mensen met afasie hebben problemen met het actieve gebruik van taal.
- Mensen die doof geboren zijn. Hun taalontwikkeling blijft achter of vertraagt ernstig. Mensen die doof zijn, gebruiken als eerste taal meestal gebarentaal. De geschreven taal levert vaak problemen op.
- Autistische mensen. Zij hebben een contactstoornis en zijn in zichzelf gekeerd. Hun taalontwikkeling blijft vaak achter.
- Bejaarde mensen met (lichte) dementie.
Groep 2:
- Immigranten en mensen van allochtone afkomst. Zij leren Nederlands als nieuwe taal. Er is vooral behoefte aan eenvoudig te lezen materiaal tijdens hun eerste jaar in Nederland.
- (Functioneel) analfabeten. Functioneel analfabeet wil zeggen dat iemand technisch in staat is om woorden te lezen, maar niet snapt wat er met een tekst bedoeld wordt. Analfabetisme heeft bijvoorbeeld als oorzaak gebrek aan onderwijs en sociale problemen.
- Leerlingen. Eenvoudig te lezen materiaal is geschikt voor kinderen op de basisschool, maar ook voor leerlingen in het praktijkonderwijs of de eerste klassen van het vmbo.
|